Vleermuizen – nachtelijke vliegkunstenaars

Een leven in duisternis

Door hun nachtelijke levenswijze zijn vleermuizen al sinds mensenheugenis in mysterie gehuld. Tegen de wijdverspreide opvattingen in zijn ze echter totaal ongevaarlijk voor de mens. De inheemse soorten zijn immers ongevaarlijke insectenjagers. Het feit dat zij op één nacht meer dan 1.000 muggen kunnen opeten, maakt hen zelfs eerder sympathiek.
Vleermuizen behoren binnen de zoogdieren tot een eigen groep, de chiroptera, wat letterlijk de ‘handvleugeligen’ betekent. Hun vlieghuid is tussen vier vingerkootjes en het lichaam gespannen. Het zijn de enige zoogdieren die actief kunnen vliegen. Voor hun nachtelijke jacht hebben zij een uitgekiend echolocatiesysteem ontwikkeld, dat hen in staat stelt om zelfs in absolute duisternis niet tegen hindernissen aan te vliegen en zelfs de kleinste buit doelgericht in de vlucht te vangen. Van de 1.000 vleermuissoorten die wereldwijd voorkomen, hebben er ruim 20 hun thuis in Noordrijn-Westfalen.  De meest voorkomende soorten in het district Kleef zijn de dwergvleermuis, de laatvlieger, de rosse vleermuis en de watervleermuis. Zeldzamere soorten zijn bijvoorbeeld de bruine grootoorvleermuis, de franjestaart en de ruige dwergvleermuis.

In de winter koud en vochtig, in de zomer warm en droog
In de winter houden vleermuizen een winterslaap om de insectenarme tijd door te komen. Ze laten hun lichaamstemperatuur zakken en de stofwisseling en de ademhaling vertraagt, zodat de vetreserves die deze dieren in de herfst hebben aangelegd voldoende is om de winter door te komen. Geschikte plaatsen zijn dus koele, vorstvrije en zeer vochtige plaatsen, zodat de kleine dierenlichaampjes tijdens deze lange rustpauze niet uitdrogen. Dat kunnen natuurlijke rotsholten zijn, maar ook bunkers, mijngangen of kelders; voor sommige soorten komen zelfs dikke bomen met oude holten van spechten of uilen in aanmerking. In de zomer zoeken de vleermuizen droge en warme plaatsen op, die naargelang de soort tot wel honderden kilometers van hun winterkwartier verwijderd kunnen liggen. Aan de hand van deze kwartierkeuze onderscheidt men boombewonende soorten (zoals de rosse vleermuis en de watervleermuis) of gebouwbewonende soorten (zoals de dwergvleermuis en de laatvlieger). Het kwartiergebruik in gebouwen verschilt van soort tot soort. Sommige soorten geven de voorkeur aan kieren en spleten op zolders, andere verstoppen zich achter gevelbekleding of in holle ruimtes onder de dakpannen. De vleermuizen richten daarbij echter geen schade aan de gebouwen aan. Enkel de droge uitwerpselen – overigens een uitstekende meststof voor bloemen – verraden hun aanwezigheid. Overdag slapen de vleermuizen in hun kwartieren, en ’s avonds vanaf zonsondergang gaan zij in insectenrijke jachtgebieden op zoek naar voedsel. In de zomerkwartieren worden ook de jongeren grootgebracht, wat een delicate aangelegenheid is. Aangezien vleermuizen in de regel slechts één jong per jaar krijgen, is het voor het behoud van de soort zeer belangrijk dat elk jong overleeft.

Gevaar door de mensen
Jammer genoeg is de mens verantwoordelijk voor het feit dat de inheemse vleermuissoorten bijna zonder uitzondering op de ‘rode lijst’ met bedreigde diersoorten staan. De steeds verdergaande uitbreiding van de bebouwing leidt tot een verstoring van de natuurlijke jachtbiotoop. De intensivering van de landbouw met het daarmee gepaard gaande verlies van hekken en veldhout alsook het toegenomen gebruik van pesticiden verminderen het voedingsaanbod voor de vleermuizen. Door de uitbouw en de isolatie van zolders en de bekabeling van openingen in bijvoorbeeld kerktorens verkleint het aanbod aan zomerkwartieren, net als door het omkappen van bomen met geschikte holtes en spleten. Het volledig opvullen of afsluiten van kelders, bunkers en mijngangen vernielt de winterkwartieren van de vleermuizen.

Terug naar Flora en fauna