Kruisdistel

De ‘dummeldistel’
Wie met de fiets of te voet in de Rheinaue onderweg is, zal bij dammen, onder weideomheiningen en langs droge wegbermen op vele plaatsen een vaalgrijs-groene, stekelige plant tegenkomen. Dat is de echte kruisdistel (Eryngium campestre), die elke leek omwille van zijn sterk prikkende bladtanden voor een distel houdt. In de Nederrijnse volksmond heet hij dan ook ‘dummeldistel’. In de herfst worden afgestorven planten met hun grote samengestelde vruchten door de storm afgeknapt en als ‘wankelende doornskeletten’ over weides en langs struiken gerold, tot zij vast blijven zitten in een hoekje of onder hekken. Dan komen de zaadjes uit de gedroogde vruchten van de zogenaamde ‘windbokken’ los en worden die over aanzienlijke afstanden over het landschap verspreid.

Perfect aangepast aan beweiding en droogte
De ‘dummeldistel’ is optimaal aangepast aan droge terreinen op beweide graslanden. Hier profiteert hij ervan dat het vee de omgevende grassprietjes kort houdt, terwijl hijzelf dankzij zijn stekeligheid gespaard blijft en van het volle zonnelicht kan genieten.
Groeiplaatsen van de kruisdistel zijn vaak bijzonder soortenrijke, specifieke locaties binnen het ooilandschap. Warmteminnende planten en planten die gevoelig zijn voor bemesting groeien vaak in de buurt van de kruisdistel, zolang er maar niet te intensief bemest wordt. Rolklaver, primula’s, sikkelklaver, stalkruid of ruige weegbree (Lotus corniculatus, Primula veris, Medicago falcata, Ononis repens, Plantago media) behoren tot de typische begeleidende planten op magere weiden. Eerder zelden zult u aan de Nederrijn echter ook cipreswolfsmelk, veldsalie of gele walstro (Euphorbia cyparissias, Salvia pratensis, Galium verum) in zijn buurt aantreffen.

Voedselleverancier en schuilplaats
Zulke bonte plantengemeenschappen zijn voor de inheemse insectenwereld buitengewoon waardevol. Het rijke bloesemaanbod in combinatie met het warme lokale klimaat trekt een heleboel insecten aan die op zoek zijn naar bloesems. Voor de meeste planten valt de belangrijkste bloeiperiode in de lente of de vroege zomer, als de watervoorziening voor de plantenlaag nog goed is. De diepwortelende kruisdistel vormt hier echter een uitzondering op, want hij bloeit pas in de hoogzomer (juli-augustus) en vormt dan een geliefde bron van nectar en pollen.
Tijdens de droge en hete zomerweken is de kruisdistel op vele plaatsen de enige plant in de weidse omgeving die nog nectar verspreidt. Dagvlinders, hommels en andere vliesvleugeligen zijn al even gretige bezoekers, ook al doet het starre, doornige uitzicht van deze struik voor het menselijke oog eerder stug en afwijzend aan. In het zog van deze bloesemjagers vinden ook insectenetende hoornaars, libellen, spinnen en vogels hun weg naar de kruisdistel, zodat die bij tijden het centrum van het insectenleven vormt.
De kruisdistel is echter niet enkel als voediselleverancier voor de inheemse dierenwereld van belang. Zij vormt ook een structuurvormend biotoopelement in houtarme groenlanderijen. Talrijke kleinere dieren vinden in de doornige scheutomhulsels vestigingsplaatsen of schuilplaatsen. En zelfs de lederachtige en stekelige grondbladeren zorgen ervoor dat onder hun hoede op de kort afgevreten weides op zijn minst enkele vroegbloeiers daadwerkelijk gaan bloeien en vruchten kweken.

Terug naar Flora en fauna