De zwarte stern

De zwarte stern (Chlidonias niger) is een kleine, donkere stern, die langs vlakke en zompige meren, dijken en oude wateren met rijkelijke plantenbestanden broedt. Hij houdt vooral van wateren met dichte bestanden van krabbenscheer (Stratiotes aloides). Deze bultig groeiende schimmelplant dient als drijvend eiland voor hun nest.

Zijn naam dankt de zwarte stern aan zijn zwartgrijze verenpak, dat sterk aan een rouwpak doet denken. De oorsprong van de wetenschappelijke naam ligt in het Griekse chelidon, wat zwaluw betekent, en beschrijft zo op treffende wijze zijn vlieghandigheid.

Zwarte sternen zijn trekvogels, die aan de West-Afrikaanse kusten overwinteren en begin maart op weg trekken naar hun broedgebieden. Zij reizen van Zuid-Spanje via Noordwest-, Midden- en Oost-Europa tot helemaal in Rusland.

In Noordrijn-Westfalen keren de zwarte sternen eind april of begin mei terug, om vervolgens te paren. Ongeveer 20 dagen nadat het wijfje haar eitjes heeft gelegd – doorgaans zijn dat er 2 à 3 – komen de kuikens uit het ei. Na 3 weken ondernemen zij al hun eerste vliegpogingen. Tegen eind juli begint dan reeds de terugtocht naar het winterkwartier. Terwijl de ouders het volgende jaar weer opnieuw op reis trekken, blijven de jonge vogels nog een jaartje in West-Afrika.

Zwarte sternen worden ongeveer 15 jaar oud; de oudste gekenmerkte zwarte stern was zelfs 19 jaar.

Terug naar Flora en fauna