De veldleeuwerik

Veldleeuweriken hoort men reeds lang voor men ze ziet. Hoog aan de hemel weerklinkt hun gezang en men moet al een hele poos zoeken vooraleer men het kleine zwarte vlekje aan de hemel ontdekt. Fluitend en voor het menselijke gehoor uitgesproken vrolijk stijgt het mannetje de lucht in, terwijl hij ononderbroken blijft zingen, om zo zijn territorium af te bakenen. Zo stijgt hij tot wel 50 meter hoog, om zich vervolgens als een steen in vrije val tot bijna op de grond te laten vallen.

Veldleeuweriken zijn ongeveer zo groot als vinken; het zijn onooglijk kleine, bruingrijze vogels, die men op de grond heel moeilijk kan spotten en waar men snel overheen kijkt. In de lente en de zomer weerklinkt hun gezang in de beschermde natuurgebieden van de Bienener Altrhein, de Grietherorter Altrhein, de Hetter of boven de Wisseler Duinen.

Veldleeuweriken broeden op open terreinen op droge tot halfnatte grond tussen lage vegetatie en met een weidse vrije horizon. Het nest is een kuiltje in de grond, dat het wijfje met plantenmateriaal bekleedt en waarin zij 2 tot 5 eieren legt. De jongen worden hoofdzakelijk met insecten gevoed.

Terwijl in het voorjaar en de zomer steeds meer insecten, spinnen, regenwormen en kleine slakken op het menu van de veldleeuwerik staan, is hij in de winter vegetarisch en voedt hij zich met graankorrels, zaadjes en wilde kruiden.

Hoewel deze vogel ooit talrijk voorkwam op onze velden en weiden, verdwijnt ook de veldleeuwerik langzaam maar zeker uit ons cultuurlandschap. Als oorzaken hiervoor gelden o.a. de intensivering van de landbouw en het verdwijnen van bloesemrijke en dus insectenrijke akkerranden.
Boeren die de veldleeuwerik en andere veldvogels willen beschermen, integreren in hun graanvelden zogenaamde leeuwerikvlakjes. Dat zijn ongeveer 20 m² grote vrije vlakken die ontstaan doordat de boer de drilmachine bewust uitzet tijdens het inzaaien. Op die manier wordt de vogels een degelijke nestelplaats en bescherming geboden.

Terug naar Flora en fauna