Één boomsort - Drie vormen


Slechts zelden kan men op een enkele plek zo goed zien wat met een knotboom bedoeld wordt, hoe waardevol hij is voor een waterrijk landschap en gelijktijdig wat zijn bestaan bedreigt. In het midden verheft zich op majestueuze wijze de machtige es. Deze kan tot 40 meter hoog worden en behoort daarmee tot de grootste loofbomen van Europa. Door zijn zeer harde hout is hij zeer geschikt voor economisch gebruik. In Neder-Rijn worden essen ook als knotbomen in cultuur gebracht. Deze groeivorm kunt u aan de linkerkant zien. Met tussenpozen van enige jaren worden daarbij de takken van de boom afgesneden zodat zich de karakteristieke knot vormt. Het hout van deze takken kan bijvoorbeeld verwerkt worden tot stelen voor gereedschap. In de middeleeuwen was het hout van de es zeer gewild voor lansen. Op basis van de lange, rechte groei van de knotboom takken is het zeer wel mogelijk dat menig ridder zijn einde vond door een Neder-rijnse lans. Het knotten maakt het voor paddenstoelen mogelijk het hout binnen te dringen, hetgeen de bijzondere knoestigheid met holen en spleten veroorzaakt. Daardoor is de knotboom de ideale woonplaats voor een veelvoud van diersoorten. De steenuil vindt broedholen, insecten schuilplaatsen en allen een rijk gedekte tafel. Als de exploitatie echter niet meer loont, is het snel voorbij met de knotboom, zoals u enige meters verder naar links kunt zien. Het knotten blijft achterwege en het gewicht van de kroon wordt onophoudelijk groter. Op een zeker moment kan de stam het niet meer dragen en barst onder de last van zijn eigen kroon. De geruïneerde boom sterft af en gaat als woonplaats verloren. Het snoeien/knotten van knotbomen is daarom inmiddels een belangrijke taak in landschappelijk onderhoud, met als doel het behoud van de bomen evenals het overleven van de daarvan afhankelijke diersoorten.

Terug