De haag

Een echt natuurtalent

Als iemand in vroeger tijden een weiland of zijn grond wilde afbakenen, kon hij of van duur hout en met moeizame arbeid een hek maken of hij liet het hek zichzelf bouwen door de aanleg van een haag. Het meest geschikt daarvoor waren de haagdoorn, de sleedoorn of de hondsroos. Die vormden vanwege hun doornen een betrouwbare weilandafbakening, omdat ze door het vee, in tegenstelling tot andere struiken, nauwelijks stukgebeten konden worden. Voor alles waren ze echter allround talenten. Hun harde hout kon men gebruiken voor stelen van gereedschap of wandelstokken. Uit de bast van de haagdoorn en sleedoorn konden kleurstoffen worden gemaakt en de vitaminerijke vruchten konden op velerlei wijzen worden verwerkt. De mogelijkheden reiken van rozebottelthee en olie via haagdoorn gelei sappen en sleedoornwijn tot koffie uit de pitten van de haagdoorn. Bloesems, bast en vruchten van slee- en haagdoorn worden bovendien ook nu nog voor veel klachten in de geneeskunde gebruikt. Vaak ziet men ook knotbomen uit de haag uitsteken. Daardoor vergroten de gebruiksmogelijkheden nogmaals, want knotwilgen leverden gewenst hout en dienden gelijktijdig als schaduwgever. Daarbij waren de hagen ook van grote landschappelijke betekenis. Met hun dichte wortelstelsel helpen ze doeltreffend om de grond vast te houden en dienen als windbrekers. En als zo vaak profiteren niet alleen mensen van de hagen. Een veelvoud van diersoorten vind in de dicht bij de natuur staande haag fantastische levensvoorwaarden. De dichte takken bieden bescherming voor de nesten van veel vogelsoorten die in struiken broeden, zoals roodborstjes, heggenmus of baardgrasmus. In elk geval zolang men niet te dicht nadert en ze wegens vermeende dreiging hun nestbouw staken. Talrijke insecten die van bloesems afhankelijk zijn, zoals bijachtigen en vlinders vinden hier voedsel. Andere soorten zoals de bladhaantjes en spinnen voelen zich hier thuis, net als amfibieën zoals de hier overwinterende bruine pad. Ook biedt de haag aan kleine zoogdieren, zoals wezels veldmuizen of egels, een beschermde leefruimte en een gedekte tafel. Tientallen jaren geleden zijn veel hagen te offer gevallen aan ruilverkavelingsmaatregelen toen kleinschalige percelen opgingen in grootschalige velden en weilanden. Ook de uitvinding van het prikkeldraad heeft veel hagen verdrongen. Daar komt bovendien nog iets bij: hagen die niet meer worden gebruikt en door regelmatige snoei worden verzorgd, worden allengs lichter. Dan blijven er slechts enkele struiken of boomrijen over. Tegenwoordig spant men zich weer in voor de verzorging en nieuwe aanleg van de ecologisch waardevolle hagen. Dat garandeert een belangrijke leefruimte voor veel diersoorten en waardeert ook het landschapsbeeld wederom op.

Terug