Een paradijs, niet bedoeld voor mensen

Een paradijs, niet bedoeld voor mensen, het Millinger meer

Het “Millinger Meer” of in het Nederlands: “De Millinger zee” is iets bijzonders. Niet omdat het helemaal geen zee is, het heet zo alleen maar omdat in het Nederduits de betekenissen van “zee” en “meer” verwisseld zijn. Ook niet omdat men hier in de omgeving van het badstrand mag zwemmen. Dat is ook al zeer bijzonder, omdat dat in beschermde natuurgebieden zwemmen eigenlijk streng verboden is. Nee, het bijzondere van het “Millinger Meer” is, dat het samen met het “Hurler Meer” en de oude Bienense Rijn één van de laatste oude Rijn systemen van de Nederrijn vormt en daarom onder de meest waardevolle natuurgebieden van Nordrhein-Westphalen valt. Want wat er eigenlijk uitziet als een meer was oorspronkelijk een oude arm van de Rijn, die, als bij hoog water de uiterwaarden overstroomden, ermee verbonden was. Tegenwoordig is de Rijn dieper dan vroeger, terwijl hij -voornamelijk gekanaliseerd en door dijken bedwongen- steeds sneller stroomt en meer kiezel van de bodem met zich meevoert en zich zo steeds dieper in zijn stroombedding graaft. Zijn hoogwaterstanden bereiken daarom nauwelijks nog op natuurlijke weg het “Millinger Meer”. Desondanks is het, zoals voorheen, toch een typisch uiterwaarden water en herbergt vooral de daarvoor bekende vissoorten zoals bittervoorns, blankvoorns, baarzen, brasems, zeelten of palingen. Zelfs snoeken en de zeldzame steenbijter zijn hier thuis. Enkele van deze soorten zijn eigenlijk forenzen, die hun leven in de wederzijdse aanwezigheid van snelle stromen en kalme rivierarmen ingericht hebben. Baarzen, blankvoorns of snoeken trekken normaalgesproken met het hoge water van het voorjaar naar de oude rivierarmen om kuit te schieten. Veel jonge vis keert dan terug naar de Rijn totdat ze geslachtsrijp zijn, bij andere soorten zijn het juist de jonge vissen die de oude Rijnarmen opzoeken, omdat daar een beter voedingsgebied voor hen is. Een sluisdeur in het sluiskanaal tussen de Bienense oude Rijn en het Millinger Meer verspert de migratie het meest. Plannen zijn al gemaakt voor verbouwing met een passagemogelijkheid voor vissen, in het kader van de dijksanering. Toch trekken de vissen nu ook. In het Millinger Meer vinden ze gedurende de zomermaanden in de weelderige plantengroei goede schuilplaatsen voor hun broed. In de winter, als er weinig beschermende planten aanwezig zijn, wordt het hier toch gevaarlijk en dan trekken de vissen naar de kanalen die voor jagers, zoals de reiger, slecht toegankelijk zijn. Deze kanalen verbinden het Millinger Meer, als een soort centraal punt, met deels ver verwijderde wateren. Men kan het nauwelijks geloven, dat sommige vissen uit het Millinger Meer het zelfs gelukt is, het IJsselmeer in Nederland te bereiken.

Terug