Steenkauz

Ik ben onzichtbaar- of zien jullie hier een steenuiltje?

Jullie zien mij niet. Maar ik zie jullie [wel]. Ik kan overal zitten - maar jullie zien mij niet. Ik ben niet heel erg groot en veel van mijn collega –vogels vinden mij niet aardig. Zoals bijvoorbeeld bosuilen, maar bosuilen vinden niemand aardig. Ze behoren net als ik tot de uilen[familie] maar ik ben veel, veel kleiner, amper de helft en zij zien mij als een lekker hapje. Ook marters maken het mij moeilijk. Daarom ben ik een meester in camouflage en het verschuilen. Soldaten zouden mij benijden voor mijn veren. Als ik heel rustig op een tak zit valt mijn bruingrijs gevlekte verenkleed nauwelijks op. Dat helpt mij ook bij het vangen van buit. Die is nog kleiner dan ik, bijvoorbeeld muizen. Ik kan in de oude fruitbomen zitten. Of in de kroon van een knotboom. Of ook wel heel stil op een paal van een omheining. Jullie zullen me niet zien. Maar ik zie jullie. Want ik moet voorzichtig zijn. Ik wordt bedreigd. Het stroomgebied van de Neder-Rijn is mijn landschap. De open weiden zijn mijn levensonderhoud, daar ben ik niet kieskeurig in. Muizen zijn geweldig (te gek) maar ik pak ook kevers, wormen of amfibieën. De nestelplaatsen zijn belangrijk voor mij want daar stel ik eisen aan. Holen zijn goed. Die kunnen in een oude schuur of kapel zitten, maar hier in Neder-Rijn zijn het de knoestige oude boomgaarden en de knotbomen. Dat zorgde vroeger voor ongelooflijk veel nestel mogelijkheden. De [boom]kronen zaten vol met holtes, waarin ik mij kon verstoppen en mijn jongen kon grootbrengen. Nu zijn er steeds minder boomgaarden en knotbomen. De vlaktes worden groter en het verschuilen moeilijker. Het landschap verandert. En wij, steenuiltjes, worden steeds minder talrijk. We kunnen in elk geval de mensen vaak een nestkastje ontfutselen. Dat zijn vlakke langwerpige zwarte kisten. Maar binnen in mooi donker en ideaal voor broedzorg. Als voor ons gemaakt!  Misschien zien jullie die kisten wel. Maar mij zien jullie niet!

Terug