Ooievaar

Klepperen hoort bij het vak - zeker bij de ooievaar

Het is nu vaak eenmaal zo: een imposant lijf heeft niet per se een indrukwekkende stem. Zo is het ook bij de ooievaar die toch wel meer dan twee meter vleugelspanwijdte kan bereiken. Goed bij stem is hij namelijk niet. Het karakteristieke klepperen is dan ook eerder een noodoplossing hiervoor, die hem echter de Duitse volksnaam Klapperstorch heeft opgeleverd. Onze omgeving met het uiterwaardenlandschap en open weide vlaktes zou een ideale zomerkoelte voor de ooievaar zijn. In werkelijkheid zijn er enkele broedparen die uit hun winterkwartier in Afrika naar de regio Kleef en de Rijn terugkeren. Het broeden vol te houden is voor ooievaarsouders nog een behoorlijke opgave. Het is geen geheim dat onze eerder intensief gebruikte landerijen niet al teveel te bieden hebben aan de ooievaar. Kikkers en muizen zijn eerder toch redelijk schaars geworden en het kroost heeft honger. Tegen het einde van de zomer gaan ze weer terug naar Afrika en dan hebben die lieve kleintjes een vluchtgewicht van minstens 3 kilogram nodig. Daartoe moeten de ouders wel wat kleine dieren vangen. Zo kan men in de vroege zomer vaak zien hoe ze met de boeren heulen en achter het maaiwerk langs paraderen. Als de weilanden worden gemaaid is dat slecht nieuws voor de daarin levende kleine dieren. Kikkers, padden en muizen worden dan op een zilveren schaaltje aangeboden en heer Ooievaar hoeft zich alleen maar te bedienen uit het verse maaisel. Ondanks deze niet geplande samenwerking is het broeden in onze omgeving een risicovolle bezigheid voor de ooievaar. Alleen in goede jaren is er genoeg voedsel. Is het eenmaal te slecht weer kunnen de jongen bevriezen, verhongeren of beide. Misschien zijn onze broedparen hier toch een teken van hoop dat de kinderbrengers van oudsher hier weer inheems worden.

Terug