Aanpassingskunstenaar op succeskoers

De nijlgans

Wie in de 17e of 18e eeuw iets te betekenen had en een riant park bezat, kon met exotische siervogels indruk maken. Een daarvoor goed geschikte vogel was de Afrikaanse nijlgans. Met zijn karakteristieke donkere oog, borstvlekken, de donkerbruine halsring, de lange roze poten en de aan de bovenzijde donkergrijze tot roodbruine veren, steekt zij duidelijk af tussen de lokale eend-achtigen. Vooral tijdens de vlucht kan men haar goed aan haar zwart-witte vleugels herkennen. Bovendien – en dat is wel het belangrijkste voor een succesvolle verhuizing - zijn de dieren bijzonder goed in staat zich aan te passen. Ze kunnen op de meest verschillende standplaatsen broeden, op de grond in het hoge gras, in holen, struikgewas of oude gebouwen, als ook in verlaten kraaiennesten in bomen, zolang er maar ergens iets van water in de buurt is. Ze eten hoofdzakelijk gras en granen, in geval van nood ook brood of kleine wormen en ze storen zich niet al te zeer aan grote hitte of strenge koude. Geen van de toenmalige kwekers had kunnen dromen dat dat exclusieve siergevogelte zich in Europa zo sterk zou uitbreiden. Want de vogels blijven niet altijd daar, waar men ze heeft uitgezet. Zogenaamde “ontvluchte gevangenen” stichtten in de loop der tijd vrij levende nijlganspopulaties. In het gebied van de Nederrijn kwam het sinds de 70er jaren – waarschijnlijk ontstaan door een populatie in Nederland - tot een steeds sterkere uitbreiding van de dieren, die goed op weg zijn om in heel Europa inheems te worden. Ze behoren daardoor tot de succesvolle invasieve soorten - dat wil zeggen, dieren, die het gelukt is om inheems te worden in gebieden die eigenlijk vreemd voor hun soort zijn. Hier aan het Reeser meer kan men het hele jaar grote groepen vogels observeren. Dit succes danken zij niet alleen aan hun aanpassingsvermogen, maar ook aan hun doorzettingsvermogen. Want Nijlganzen gelden als zeer agressief gedurende de broedtijd. Ze dulden dan geen enkele andere eend-achtige soort in hun broedgebied. Om het welslagen van hun soort te garanderen, broeden de ganzenparen soms twee tot drie maal per jaar. Dat moeten ze ook wel want de sterfte onder de jongen - door rovers, slechte weersgesteldheden en menselijke verstoring - is met zo’n 60 % zeer hoog. Veel landen vinden de verbreiding van de nijlgans zorgwekkend, zodat ze – zoals in Nederland - als een “invasieve soort” ingeschaald worden. Ook bij ons wordt de verbreiding kritisch bekeken, omdat ze door hun agressieve gedrag in de broedtijd concurrentie voor de inheemse broedvogels kunnen vormen.

Terug