De graspieper

Als leek denk men dat een vogelnest altijd in een boom zit Dat is echter niet de regel. Talrijke vogelsoorten broeden op de grond, bijvoorbeeld de grote groep van weide-broeders. Daartoe behoort ook- de naam zegt het al – de graspieper De kleine onopvallende bruine zangvogel houdt van licht begroeide grasvelden, venen en weilanden. Die zijn bijzonder goed want hier zijn ook de weilandhagen die de dieren als zangwachtpost bij de balts kunnen gebruiken. In erg zachte winters overwinteren de graspiepers vaak hier, maar meestal keren ze in het voorjaar terug uit de overwinteringsgebieden in Zuid-Europa, Noord-Afrika en voor-Azië en zoeken elkaar om broedparen te vormen. De wijfjes leggen alleen in bermen of in hoog gras 4 tot 6 eieren in een eenvoudig nest van enige grashalmen, mossen en haren. Ze broeden alleen en voeden ook hoofdzakelijk de jongen, maar worden daarvoor zelf in deze tijd door de mannetjes gevoerd, een terechte werkverdeling. Ook op extensief gebruikt weiland of grasland met niet al te dicht gras vinden ze volop insecten en spinnen, in het winterseizoen kunnen het ook slakken of kleine zaden zijn. Helaas worden dergelijke grasvelden zeldzaam Overal waar er intensieve landbouw bedreven wordt hebben de graspiepers het moeilijk. Verhoogd gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen vernietigt bloeiende wilde planten en daarmee verdwijnen de door hen gewilde insecten. In het door bemesting dichte gras kunnen de dieren zich niet goed voortbewegen. Bovendien lukt het vele jonge dieren niet eens om tot vliegen te komen want de weiden worden zo vaak en vroeg in het jaar gemaaid en dat vernietigt vaak al het legsel, evenals een te grote hoeveelheid vee. Ook onschuldige wandelaars kunnen de dieren in gevaar brengen, namelijk wanneer ze hun honden in beschermde natuurgebieden vrij laten lopen. Die kunnen de vogels op zijn minst zo opschrikken dat ze hun legsel verlaten. Op beschermde natuurvlaktes zet men zich ervoor in weer die voorwaarden te verschaffen zoals ze gebruikelijk waren voor de intensieve landbouw. Dus in een tijd zonder kunstmest, onkruidbestrijdingsmiddelen en melkmachines, die het bezit van grote kuddes vee pas mogelijk maakten. Graslanden en weides van deelstaat, regio of een natuurbeschermingsorganisatie worden zodoende onder strenge voorwaarden aan boeren verpacht: geen mest, geen herbiciden, weinig vee en dat vaak pas na de eerste broedperiode, en-zeer belangrijk het maaien van de grasvelden mag pas daarna vanaf 30 juni plaatsvinden. Daardoor vinden de dieren hier nog geschikte leefruimte en kunnen hun naam op de Niederheinse weiden eer aandoen.

Terug