De brandgans

Als wintergasten gewoon blijven

Van de andere ganzensoorten die hier aan de Nederrijn op de weides en wateren overwinteren, zijn de brandganzen redelijk gemakkelijk te onderscheiden.
Hun Duitse naam, Nonnenganzen, danken ze niet aan hun bijzondere vroomheid, maar aan de kleurtekening van hun kop, die aan nonnenkleding doet denken.
Vanwege de zwarte kruin en de witte zijkant van de kop worden ze ook wel witwangganzen genoemd. Als u de ganzen in de winter gadeslaat, schrik ze dan niet op. Men stoort de dieren het minst als men in de auto blijft. Als de vogels weiden zonder aandacht aan u te schenken, is alles in orde. Als ze de nek strekken en de omgeving gadeslaan is er al iemand te dichtbij gekomen. Een voorzichtige terugtocht kan nog voor ontspanning zorgen. Als de ganzen beginnen weg te lopen is het al te laat en als ze opvliegen zijn de rapen gaar!
De hier overwinterende exemplaren zijn intussen wel een aardig internationaal volkje. Oorspronkelijk komen ze van de Russische poolzeekusten maar hebben zich inmiddels ook aan de Oostzee gevestigd.
Het broedgedrag van de brandgans is nogal ongewoon. Ze nestelen op klippen aan de kust en op rivieroevers, waarbij ze nesten bouwen die alleen vliegend zijn te bereiken. Interessant genoeg schijnen ze gesteld te zijn op de nabijheid van roofvogelhorsten – misschien schrikken jagende slechtvalken de vijanden van ganzen af. Voor de kuikens is het begin van het leven ook een uitdaging. Ze zijn nestvlieders en zolang ze niet volgroeid zijn en kunnen vliegen  -  voetgangers. De enige mogelijkheid om het nest te verlaten is na het kruipen zich in de diepte te storten. Anders komt het zeer kleine kroost niet toe aan het voedselaanbod van de toendra. Na zo’n jeugd lijkt de winter hier meer op een wandelingetje. Daarom bezweken sinds 1990 meer en meer broedparen voor de charme van hun wintervakantieoord in de Nederrijn. Hier aan het Roosenhofmeer broeden intussen 5 tot 10 paren, terwijl de brandgans ook in de zomer te zien valt.

Terug