Mogen we voorstellen: De Bever

Landschapsarchitect , burcht en dammenbouwer

De bever is het grootste knaagdier van het noordelijk halfrond, zijn plompe en gedrongen lichaam bereikt samen met zijn afgeplatte en schubbige staart een totale lengte tot wel 130 cm. Oorspronkelijk inheems van Zuid-Europa tot in Noord- Aziƫ werd de bever vanwege zijn waardevolle huid gejaagd en bijna uitgeroeid. In veel gebieden heeft hij zich intussen weer succesvol gevestigd. Bevers zijn bijzonder goed aangepast aan het leven in het water en voeden zich vegetarisch. Zij prefereren de door oeverbossen omgeven beken en meren. De wateren mogen zomers niet droogvallen en in de winter niet tot op de bodem bevriezen. Daarbij vormen zij op actieve wijze hun leefomgeving, bouwen burchten, dammen beken af en vellen bomen, waardoor ze nieuwe leefruimte voor planten en dieren scheppen. De ingang van een beverhuis ligt altijd onder de waterspiegel De beroemde beverdam draagt eraan bij om de waterstand boven de ingang van het huis en rond de beverburcht te regelen. Hun lange knaagtanden hebben een oranjekleurige laag glazuur en groeien gedurende het hele leven. Neus en oren kunnen onder water gesloten worden. De ogen worden bij het duiken door een derde ooglid, het zogenaamde knipvlies, beschermd. Een dichte bruine vacht houdt ze warm en droog. De vacht wordt regelmatig gereinigd en met een vethoudende klierafscheiding, het bevergeil (castoreum), verzorgd. Deze stof was zo gewild dat de winning ervan zelfs sterk bijdroeg aan de bedreiging [van de bever]. Het bevergeil, waaraan een erotiserende werking wordt toegeschreven, is een bestanddeel van diverse parfums. Tot in de late Middeleeuwen was het Christenen niet toegestaan gedurende de vasten rood vlees te eten. Omdat hij hoofdzakelijk in het water leeft en zijn schubbige staart aan een vis doet denken, werd in het Concilie van Konstanz besloten dat de bever een waterdier was en daardoor geschikt was als voedsel tijdens de vasten.

Terug