Een verbindende gemeenschapstaak

Een verbindende gemeenschapstaak


Dijken vinden we bij zeeën, meren, rivieren en zelfs beken. Ze beschermen nederzettingen tegen hoogwater en maken het gebruik van het omliggende land pas mogelijk. De eenvoudigste bescherming tegen hoog water vinden we in Nederrijn in de vorm van zogenaamde terpen. Boerderijen zijn op aarden heuvels gebouwd en zien er bij overstromingen uit als eenzame eilanden in het water. Volgens het motto “ieder voor zich”, functioneert alles bij het eigen huis nog goed. Voor winst en behoud van weilanden en velden heeft men daarentegen behoefte aan een gesloten systeem van dijken. Hoe intensiever een mogelijk overstromingsgebied benut wordt, des te grootscheepser wordt de dijkbouw, zodat het niet verwonderlijk is dat de hoge heren zich ermee bemoeiden. In de 12e eeuw begon een graaf uit Kleef met de bouw van dijken, om zijn bezittingen winstgevender te maken. De regularisatie van het dijkwezen werd echter tot een uitdaging die de inzet van alle betrokkenen vereiste. Het zoeken naar een oplossing duurde eeuwen. Vorsten, bisdommen, steden en grondbezitters - die onder normale omstandigheden niet werkelijk met elkaar bevriend waren -  sloten zich aaneen in zogenaamde dijkverenigingen (waterschappen?) Deze vaardigden verschillende dijkrechten en reglementen uit. Het resultaat was een behoorlijke lappendeken. Het is daarom niet verwonderlijk dat het de ordelievende Pruisen waren die met “het Kleefse Dijkreglement” eindelijk een gesloten bandijk systeem vestigden dat sindsdien steeds verder werd uitgebreid en verbeterd. Tegenwoordig verzorgt het Dijkverband Xanten-Kleef alleen al 38 kilometer hoogwaterkeringen, het Dijkverband “Bislich Landsgrenze” 45 kilometer. Sinds de eerste maatregelen ter bescherming tegen hoogwater heeft echter de kanalisering van de Rijn de voorwaarden voor hoogwater veranderd. De rivier voert steeds meer water steeds sneller voorbij. Met het verloop van de dijken hebben we nu eindelijk invloed op de hoogte van het hoogwater. Hoe meer vlaktes er ter overstroming aan de rivier overgelaten worden, des te lager kunnen de dijken zijn.


Terug